Waarderingsgrondslagen

Bovenstaande statutaire jaarrekeningen worden opgesteld in overeenstemming met de in Nederland algemeen aanvaarde verslaggevingsregels. Dit betekent dat de desbetreffende jaarrekeningen zoveel mogelijk zijn opgesteld conform de eisen zoals die in Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek zijn geformuleerd en dat de gehanteerde waarderingsgrondslagen zoveel mogelijk voldoen aan Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en aan de nadere uitwerking van de normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd, zoals die zijn vastgelegd in de door de Raad voor de Jaarverslaggeving (RJ) geformuleerde Richtlijnen voor de jaarverslaggeving (Richtlijnen). Deze eisen en bepalingen gelden als de geldende normen in het maatschappelijk verkeer voor jaarrekeningen in Nederland.

In een aantal gevallen gelden in het kader van de tariefregulering specifieke grondslagen, die zijn gebaseerd op en vastgelegd in wet- en regelgeving, het Kostentoerekeningssysteem Loodswezen 2016-2018 en besluiten van de ACM in het kader van de tariefregulering van het Loodswezen. Voor de posten waarvoor specifieke grondslagen gelden, zijn deze specifieke grondslagen gehanteerd in deze jaarrekening. De indeling van de exploitatierekening is eveneens gebaseerd op de indeling zoals deze wordt gehanteerd in het kader van het tarieftoezicht. Door deze grondslagen en wijze van presentatie te hanteren heeft deze jaarrekening dezelfde grondslagen als het jaarlijkse tariefvoorstel en de jaarlijkse financiële verantwoording die bij de ACM worden ingediend. Het hanteren van deze grondslagen is, in het kader van de gesprekken over het voldoen aan het Normenkader Financieel beheer, ook afgestemd met het ministerie van IenW.

Deze jaarrekening bevat zowel de opbrengsten en kosten die samenhangen met de dienstverlening aan de Nederlandse havens (onder tarieftoezicht ACM) als ook de opbrengsten en kosten die samenhangen met het Nederlandse aandeel in de loodsdienstverlening aan de Scheldevaart (27,5% van de loodsdiensten naar de Vlaamse Scheldehavens worden door Nederlandse registerloodsen uitgevoerd).

De posten waarvoor specifieke grondslagen zijn gehanteerd betreffen:

Arbeidsvergoeding registerloodsen:

De registerloodsen zijn zelfstandig beroepsbeoefenaar en ontvangen geen loon of salaris. In het kader van de tariefregulering zijn uurtarieven voor de werkzaamheden van loodsen bepaald, die zijn vastgelegd in de Regeling markttoezicht registerloodsen. Er zijn uurtarieven bepaald voor directe loodsuren (loodstaken aan boord en loodsen op afstand) en indirecte loodsuren (Indirect Productieve Loodstaken, zoals bestuurstaken, loodsdienstleider en opleidingen, reis- en wachturen en beschikbaarheidsuren). De arbeidsvergoeding in deze jaarrekening is gebaseerd op de arbeidsvergoeding volgens de uurtarieven die gelden in het kader van de tariefregulering, zoals verwerkt in de Financiële Verantwoording 2018.

Vermogensvergoeding:

In de statutaire jaarrekeningen is rekening gehouden met de werkelijke betaalde rente aan financiers voor leningen die zijn aangetrokken voor de financiering van vaartuigen, alsmede met een interne vergoeding aan registerloodsen voor het door hen ingebrachte eigen vermogen. In het kader van de tariefregulering mag niet worden uitgegaan van de werkelijke financieringlasten, maar dient te worden uitgegaan van een normatieve vergoeding voor de financieringslasten gebaseerd op de gemiddelde capital base van materiële vaste activa, voorraden en een toeslag voor werkkapitaal op basis van een door de ACM vastgesteld WACC percentage (2018 en 2017: 6,3%). In deze jaarrekening is uitgegaan van de normatieve vermogensvergoeding in het kader van de tariefregulering, zoals verwerkt in de Financiële Verantwoording 2018.

Rente tijdens de bouw van grote investeringen (schepen en gebouwen):

In de statutaire stukken vormt de rente betaald aan derden vanwege de financiering met vreemd vermogen onderdeel van de betreffende materiële vaste activa. In het kader van de tariefregulering vormen activa in aanbouw geen onderdeel van de capital base en mogen deze pas in de capitalbase worden toegevoegd als zij in gebruik zijn genomen, waarbij rente tijdens de bouwperiode moet worden berekend op basis van het percentage vreemd vermogen dat onderdeel van de WACC is. Hierdoor onstaat een verschil tussen de waardering van de materiële vaste activa volgens de statuaire stukken en de waarden volgens de stukken in het kader van de tariefregulering. Omdat in deze jaarrekening is uitgegaan van de grondslagen die gelden voor de tariefregulering zijn de materiële vaste activa in deze jaarrekening gebaseerd op de waarde die hiervoor geldt in het kader van de tariefregulering. Hierdoor is de waarde van de materiële vaste activa € 3.820.857 (eind 2017: € 4.080.145) hoger dan in de statutaire stukken. Dit waardeverschil is verwerkt onder het eigen vermogen.

Overige grondslagen

Om de grondslagen en regels voor het opstellen van de jaarrekening te kunnen toepassen, is het nodig dat de leiding van het Loodswezen zich over verschillende zaken een oordeel vormt, en dat de leiding schattingen maakt die essentieel kunnen zijn voor de in de jaarrekening opgenomen bedragen. Indien het voor het geven van het in artikel 2:362 lid 1 BW vereiste inzicht noodzakelijk is, is de aard van deze oordelen en schattingen inclusief de bijbehorende veronderstellingen opgenomen bij de toelichting op de desbetreffende jaarrekeningposten.

De jaarrekening is opgesteld in euro’s, dit is zowel de functionele als de presentatievaluta van Nederlands Loodswezen. Transacties in vreemde valuta gedurende de verslagperiode zijn in de jaarrekening verwerkt tegen de koers op transactiedatum. Monetaire activa en passiva in vreemde valuta worden omgerekend tegen de koers per balansdatum. De uit de afwikkeling en omrekening voortvloeiende koersverschillen komen ten gunste of ten laste van de resultatenrekening, tenzij hedge-accounting wordt toegepast. Niet-monetaire activa die volgens de verkrijgingsprijs worden gewaardeerd in een vreemde valuta worden omgerekend tegen de wisselkoers op de transactiedatum (of de benaderde koers).

De waarderingsgrondslagen worden hieronder uiteengezet en niet meer bij de toelichting op de afzonderlijke balanshoofden.

Materiële vaste activa: De materiële vaste activa worden gewaardeerd tegen de verkrijgingsprijs onder aftrek van afschrijvingen en bijzondere waardeverminderingen. Materiële vaste activa worden vanaf het moment van ingebruikneming afgeschreven over de verwachte toekomstige gebruiksduur van het actief. Over terreinen en vastgoedbeleggingen wordt niet afgeschreven. Indien een schattingswijziging plaatsvindt van de toekomstige gebruiksduur, dan worden de toekomstige afschrijvingen aangepast. Boekwinsten en -verliezen uit de incidentele verkoop van materiële vaste activa zijn begrepen onder de verrekening investeringen.

Nederlands Loodswezen B.V. beoordeelt jaarlijks of een vast actief onderhevig is aan een bijzondere waardevermindering. Indien de realiseerbare waarde van een actief lager is dan de boekwaarde van een actief en de verwachting is dat deze waardevermindering duurzaam is, zal het waardeverminderingsverlies in de verrekening kosten en investeringen worden verwerkt, conform de gemaakte meerjaren afspraken met de ACM.  

Financiële vaste activa: Deelnemingen waarin invloed van betekenis wordt uitgeoefend worden gewaardeerd volgens de nettovermogenswaarde methode. Invloed van betekenis wordt bereikt als 20% of meer van de stemrechten uitgebracht kan worden. De nettovermogenswaarde wordt berekend volgens de grondslagen die gelden voor deze jaarrekening. Indien de waardering van een deelneming volgens de nettovermogenswaarde negatief is, wordt deze op nihil gewaardeerd. De eerste waardering van gekochte deelnemingen is gebaseerd op de reële waarde van de identificeerbare activa en passiva op het moment van acquisitie. Voor de vervolgwaardering worden de grondslagen toegepast die gelden voor deze jaarrekening, uitgaande van de waarden bij eerste waardering.

Derivaten worden bij eerste opname in de balans opgenomen tegen reële waarde, de vervolgwaardering van afgeleide financiële instrumenten (‘derivaten’) is afhankelijk van het feit of het onderliggende van het derivaat beursgenoteerd is of niet. Indien het onderliggende beursgenoteerd is, dan wordt het derivaat tegen reële waarde opgenomen. Indien het onderliggende niet-beursgenoteerd is, wordt het derivaat tegen kostprijs of lagere marktwaarde opgenomen. De wijze van verwerking van waardeveranderingen van het afgeleide financieel instrument is afhankelijk van of er met het afgeleide financiële instrument hedge-accounting wordt toegepast of niet.

Nederlands Loodswezen past kostprijs hedge-accounting toe voor rente derivaten. Op het moment van aangaan van een hedgerelatie, wordt dit gedocumenteerd. Door middel van een periodieke test wordt de effectiviteit van de hedgerelatie vastgesteld. Dit wordt gedaan door het vergelijken van de kritische kenmerken van het hedge-instrument met die van de afgedekte positie of door het vergelijken van de verandering in reële waarde van het hedge-instrument en de afgedekte positie.

Nederlands Loodswezen B.V. past cashflow hedge accounting toe voor haar toekomstige inkopen van brandstof, en eventuele toekomstige inkopen in vreemde valuta. Voor de rentederivaten wordt echter kostprijs hedge-accounting toegepast. Doordat toekomstige inkopen niet in de balans worden verwerkt, worden de brandstof- en valutaderivaten niet gewaardeerd. Indien de afgedekte post tegen kostprijs in de balans wordt verwerkt, wordt ook het derivaat tegen lagere marktwaarde gewaardeerd. Indien van toepassing, wordt het ineffectieve deel van de waardeverandering van de valutatermijn- en brandstofcontracten en rentederivaten verantwoord in de resultatenrekening onder de financiële baten en lasten.

De marktwaarde van een aantal afgeleide financiële instrumenten is in een aantal gevallen negatief. Dit verschil wordt vooral veroorzaakt door een lagere rente- en valutastand of brandstofprijs dan die ten tijde van het afsluiten van het contract. Door het toepassen van kostprijshedge of cashflowhedge -accounting wordt geen voorziening gevormd voor derivaten met een negatieve marktwaarde.

Voorraad: De voorraden bestaan uit reserveonderdelen en brandstof voor de schepen en zijn gewaardeerd op de historische gemiddelde verkrijgingsprijs, onder aftrek van een voorziening voor incourantheidtoepassing.

Vorderingen en overlopende activa: Vorderingen worden bij eerste verwerking gewaardeerd tegen de reële waarde van de tegenprestatie. Handelsvorderingen worden na eerste verwerking gewaardeerd tegen de geamortiseerde kostprijs. Voorzieningen wegens oninbaarheid worden in mindering gebracht op de boekwaarde van de vordering.

Liquide middelen: De liquide middelen worden gewaardeerd tegen nominale waarde.

Kortlopende schulden en overlopende passiva: De schulden worden bij de eerste waardering gewaardeerd tegen de reële waarde. Transactiekosten die direct zijn toe te rekenen aan de verwerving van de schulden worden in de waardering bij eerste verwerking opgenomen. Schulden worden na eerste verwerking gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs zijnde het ontvangen bedrag rekening houdend met agio of disagio en onder aftrek van transactiekosten.

Langlopende schulden: Langlopende schulden worden bij de eerste verwerking gewaardeerd tegen reële waarde. Transactiekosten die direct zijn toe te rekenen aan de verwerving van de schulden worden in de waardering bij eerste verwerking opgenomen. Schulden worden na eerste verwerking gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs zijnde het ontvangen bedrag rekening houdend met agio of disagio en onder aftrek van transactiekosten. Het verschil tussen de bepaalde boekwaarde en de uiteindelijke aflossingswaarde wordt op basis van de effectieve rente gedurende de looptijd van de schulden in de winst-en-verliesrekening als interestlast verwerkt.

Voorzieningen: Voorzieningen worden gevormd voor in rechte afdwingbare of feitelijke verplichtingen, die op de balansdatum bestaan waarbij het waarschijnlijk is dat een uitstroom van middelen noodzakelijk is en waarvan de omvang op betrouwbare wijze is te schatten. De voorzieningen worden opgenomen tegen nominale waarden.

Het resultaat wordt bepaald als het verschil tussen de opbrengstwaarde van de geleverde prestaties en de kosten en andere lasten over het jaar. De resultaten op transacties worden verantwoord in het jaar waarin zij zijn gerealiseerd.

Indien het niet mogelijk is de realiseerbare waarde voor het individuele actief te bepalen, wordt de realiseerbare waarde bepaald van de kasstroom genererende eenheid waartoe het actief behoort. Van een bijzondere waardevermindering is sprake als de boekwaarde van een actief hoger is dan de realiseerbare waarde; de realiseerbare waarde is de hoogste van de opbrengstwaarde en de bedrijfswaarde. De gehanteerde grondslagen van waardering en van resultaatbepaling zijn ongewijzigd gebleven ten opzichte van het voorgaande jaar.